Maand zonder emoticons

Er was Tournée Minérale en er is Dagen Zonder Vlees, voor respectievelijk een maand zonder alcohol en een maand veggie door het leven gaan. Lieve mensen, vermits de zonder-trend onomstotelijk in de lift zit, heb ik een voorstel waarvan de onversaagde sterke karakters onder ons die altijd in zijn voor maandjes zonder toch wel een beetje bleek om de neus zullen uitslaan. Ik lanceer bij deze: de Maand Zonder Emoticons en Emojis. Een maand lang geen gebruik maken van smileys, duimpjes, pusheens, lachende drollen, kloppende harten en wat er zoal nog in het emo-arsenaal zit.

Hoe ik daarbij kom? Gewoon een zinnetje dat ik in een interview met acteur/regisseur Frank Lammers las: ‘De mens is een taalloos wezen geworden dat met duimpjes duidelijk maakt wat hij bedoelt.’ Meestal, wanneer ik weer eens dit soort kritiek lees, ben ik geneigd om te denken: ‘Geeuw, niks nieuws wat je daar zegt, en zo belangrijk is het nu ook weer niet, toch?’. Deze keer was het anders. Een mengeling van schaamte en ongemakkelijkheid overviel mij. Ik dacht: ‘De man heeft gelijk, toen het zich nog beperkte tot wat knipogen en een uitgestoken tong was het ok, maar nu loopt het zwaar de spuigaten uit’. Nog even en er is een emoticon voor ‘het gevoel dat je overvalt wanneer je in je eentje bij een verlaten bushalte in de regen staat en niet weet of de laatste bus nog komt of je hem net hebt gemist’. Voor taalloosheid valt in mijn geval niet zo gauw te vrezen, denk ik, maar dat de oh zo handige pictogrammetjes impact hebben op mijn communicatie staat als een paal boven water.

Voorbeeldje? In e-mail, chat en sms maak ik haast geen grapjes meer zonder smiley of iets dergelijks erbij. Ik betrap mezelf erop dat ik ben gaan denken dat zonder emoticon het risico  bestaat dat de ander misschien niet doorheeft dat het als grapje bedoeld is. Misschien – oh ramp – wel beledigd gaat zijn zonder dat verzachtende knipoogje. Gesteld dat er wel meer mensen zo redeneren is het niet ondenkbaar dat we op termijn humor of andere emotionele expressie in taal niet meer herkennen als woorden niet worden ondersteund of vervangen door beelden.

Nog eentje? Ik ga ervan uit dat de ander misschien wel denkt dat ik een droogstoppel of een saai oud wijf ben als ik emoticonloos communiceer. En stel vast dat ik die reflex vooral heb in communicatie met mensen die een stuk jonger zijn dan ik.

Nog een derde? Het is oh zo gemakkelijk om gauw even een duimpje of hartje de wereld in te sturen. Soms is het gemeend, maar soms is het ook de vervanging van een lege beleefdheidsformule, het soort fake kirren wat mensen op feestjes doen: ‘oh echt?!’, ‘serieus?’, ‘ah, geweldig!’.

En geef toe, die emo-dinges kunnen ook wel eens doodergerlijk zijn.

Neem nu: blokjes. Ja, blokjes. Jouw foon is niet compatibel met die van een ander en in plaats van het juiste tekeningetje krijg je in een sms alleen maar een stel nietszeggende vierkante blokjes. Alsof iemand probeert om gekneveld het woord tot je te richten, of zoiets.

Verder: overload. De enthousiasteling die het niet kan laten om 7 duivels kijkende smoeltjes te posten terwijl je met één de boodschap ook wel begrepen hebt. Of per se én toeters én bellen én verjaardagstaarten en hartjes en ook nog één of andere idiote kwispelende hond met een strik bij elkaar samplet bij wijze van verjaardagswens. De infantilisering loert om de hoek, of beledig ik nu de -12-jarigen?

Redenen genoeg lijkt mij, voor een maandje zonder. Vanaf nu schrijf ik ‘echt kak, zoiets!’ in plaats van te klikken. Reageer ik verbaal in plaats van een snel duimpje naar iemands kop te gooien, maak ik grapjes zonder die expliciete knipoog. Al mijn communicatiepartners zijn bij deze gewaarschuwd, vat het niet verkeerd op, lieverds. Iemand zin om mee te doen? Be my guest! Wat zeg je? Dat de vergelijking die ik in het begin maakte niet opgaat? Dat je een mojito kan afslaan en aan een gehaktbal kan weerstaan, maar dat emoticons sowieso op je af komen in de communicatie die aan jou gericht is, ook al gebruik jij er zelf geen? Klopt ja, daar moeten we dus nog iets op vinden. Gewoon niet reageren? ‘Watte?’ of ‘pardon?’ zeggen? Meedelen dat jouw foon, tablet of wat dan ook plots geen picto’s meer herkent? Ach, laten we niet te gemeen zijn. Dwang is niet meer van deze tijd. Laten we om te beginnen gewoon de alledaagse helden zijn die het goeie voorbeeld geven. Ze gaat bij deze in, die maand. Start!

 

pandemonium

soms benijd ik de tuimelbeker.
andere keren wil ik liefst het plastic bakje zijn,
achter de gesloten deur van het keukenkastje, leeg en schoon.
soms – willen of niet – de vork die nu eenmaal niet rechtop kan staan
en een grillig heft heeft als geen ander ding in de bestekbak.
soms – nee niet trots daarop – de pan met restje van vijf dagen oud,
dat deksel wil je echt niet optillen.

vorkigheid.
tuimelbekerdom.
etterbakje.
pandemonium.

Bregje Hofstede – ‘De herontdekking van het lichaam – Over de burn-out’

Schrijven over je eigen burn-out wanneer je 26 bent, met succes een eerste roman hebt uitgebracht die meteen wordt vertaald en verfilmd en je alles knap voor mekaar lijkt te hebben: het is misschien wel een risico. Niet ondenkbaar dat je door een paar cynische recensenten wordt weggezet als aansteller of aandachtszoeker. Bregje Hofstede deed het toch, in een dun boekje met als titel  ‘De herontdekking van het lichaam – Over de burn-out’.

9789059366947_160‘De herontdekking van het lichaam’ bestaat uit een aantal essays die voldoende met elkaar verwant zijn om een coherent geheel te vormen en tegelijk divers genoeg om het thema burn-out vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. Het is moeilijk in een genre onder te brengen omdat het egodocument vermengt met filosofische beschouwing en maatschappijkritiek. Het is zowel een intens persoonlijk verhaal als essayistiek met verwijzingen en een bronnenlijst. Het is non-fictie die tegelijk nadrukkelijk literair geschreven is. Precies die wat ongebruikelijke combinatie maakt ‘De herontdekking van het lichaam’ beklijvend.

Centraal in het boek staat de vaststelling van Hofstede dat – hoewel burn-out meestal als een mentaal-emotioneel fenomeen wordt gezien – in haar geval het fysieke aspect allesbepalend is. Ze beschrijft hoe ze in de loop van haar puberteit en onder invloed van haar thuismilieu leerde om haar lichaam zoveel mogelijk te negeren. ‘Books over looks’ wordt haar motto en een lichaam is vooral iets wat niet in de weg moet zitten bij het realiseren van haar mateloze intellectuele ambities. Op heel jonge leeftijd voltrekt zich een vervreemding die ze later weet te benoemen als ‘Ik zat niet slecht in mijn vel. Het leek er eerder op dat ik er helemaal niet in zat’. En nog: ‘Mijn lichaam was iets wat mijn hoofd ronddroeg, hinderlijk traag overigens, en mijn pen vasthield, een noodzakelijk kwaad’.

Hofstedes extreme manier om wil en geest te laten triomferen over de behoeften van het lichaam blijft niet duren: na succesvolle studies en het schrijven van een roman (‘De hemel boven Parijs’) valt ze op haar 24e letterlijk stil. Op een dag gaat ze – tegen haar gewoonten in – doodmoe op een bankje in een park zitten, stelt ze vast dat ze haar benen niet meer kan voelen en met de beste wil van de wereld niet meer kan opstaan. In paniek belt ze met moeite haar vader. Waarop weken en maanden volgen van inactiviteit en langzaam herstel waarin ze gaat begrijpen hoe nefast de onderdrukking van haar fysieke zelf is. Pogingen om eruit te raken door net extra hard voor haar lichaam zorg te dragen – hypergezond eten, yoga, voldoende slaap … – brengen haar verder van huis. Door haar perfectionistische aard heeft ze gewoon een andere manier gevonden om haar lichaam nog efficiënter te laten gehoorzamen.

De omslag komt wanneer ze begint te  wandelen. Niet wandelen als de geplande kilometerslange tocht in weidse natuur, maar wandelen als doelloos slenteren, ook middenin de stad, de benen en het lichaam de vrijheid gunnen ons te dragen naar waar het hen belieft. Wandelen opent letterlijk nieuwe wegen: ze stelt vast hoe belangrijk het is om ook bij hoofdwerk het lichaam te voelen, ontdekt dat taal helemaal niet zo abstract is als ze dacht, dat ze ‘niet voluit kan schrijven zonder lijf’ en frisser en creatiever wordt. ‘Als ik lang genoeg loop, opent zich gaandeweg een plek in mijn gedachten die ik als compleet eigen ervaar’. Ten slotte komt ze tot het besluit dat burn-out niet zozeer een opgebrand zijn is, een tekort aan brandstof of energie dat je in principe dus ook zou moeten kunnen bijvullen, maar net een teveel aan doorgaans mentale prikkels en een tekort aan leegte en ruimte, zodat op de duur de veerkracht helemaal opraakt.

Tussen haar eigen verhaal door weeft Hofstede maatschappelijke observaties – ontevredenheid over het eigen lichaam die zowel bij mannen als vrouwen norm wordt, de tijdgeest die van het lichaam een ding maakt dat via apps wordt gemonitord en getrackt – en verwijst ze naar filosofen en auteurs, bijvoorbeeld de bijzondere band met wandelen die Henry David Thoreau, Jean-Jacques Rousseau en Friedrich Nietzsche onderhielden met wandelen.

Een extra vermelding waard is het laatste essay in het boekje ‘What de fuck is water?’. Naar aanleiding van een reis die ze in haar eentje onderneemt naar Jerusalem, waarbij ze als jonge westerse vrouw genadeloos wordt geconfronteerd met de voortdurende ongewenste aandacht van mannen, vraagt ze zich af in welke mate haar vrouw-zijn een rol heeft gespeeld in de vervreemding van haar lichaam. Onafgebroken aangestaard worden verhindert dat ze zelf nog kan kijken, niet reageren is geen optie als je lichaam sowieso registreert en je denken uit zijn eigen bedding wordt geduwd. Zelf zo weinig mogelijk signalen uitzenden heeft als gevolg dat ze zich afsluit. Ook hier heeft ze aandacht voor maatschappelijke context – de neiging om te stellen dat vrouwen niet moeten zeuren zo lang het maar bij kijken, een gebaar of opmerking blijft – en voor andere vrouwelijke auteurs in wiens werk de relatie met het lichaam een speciale plaats heeft, zoals Sylvia Plath en Susan Sontag.

Met ‘De herontdekking van het lichaam’ bewijst Bregje Hofstede dat ze uiteenlopende genres moeiteloos aankan, intelligent associeert en verbanden legt. En ook dat ze geen zeurkous is die per se het eigen leed breed wil uitsmeren.

Bregje Hofstedes website

 

‘Tot leven / Een liefdesgeschiedenis’ – Michel Faber over liefde, leven en dood

Ergens in de eerste jaren van deze eeuw was er ‘Lelieblank, scharlakenrood’ (The Crimson Petal and the White), de decadent dikke roman van Michel Faber (°1960) over de lotgevallen van Sugar, een prostituee in het Victoriaanse Engeland. Een gigantische bestseller, en voor mij een memorabele leeservaring. Hoewel ik me toen niet kon voorstellen dat ik ook maar een letter die van zijn hand verscheen zou laten passeren, las ik in later jaren nooit meer iets van Faber.

totlevenTot ik onlangs op ‘Tot leven / Een liefdesgeschiedenis’ stuitte. Faber verloor in 2014 zijn geliefde Eva, na een jarenlange strijd tegen beenmergkanker. ‘Tot leven’ is een bundeling van gedichten die hij schreef in haar laatste levensfase en in het jaar na haar dood.  Lees je zoiets als je niet zelf rechtstreeks met ziekte of rouw wordt geconfronteerd of beroepshalve een recensie moet schrijven? Ja dus. En waarom dan? Goeie vraag. Misschien omdat ziekte en dood ‘doodgewoon’ bij het leven horen en ‘kopje in het zand’ niet veel zoden aan de dijk zet.  Omdat ‘Tot leven’ je bij de eerste lukrake regels bij je nekvel grijpt en niet meer loslaat. Omdat het ook, ondanks de onverbloemdheid van aftakeling en sterven en de rauwheid van verdriet, pure liefdespoëzie is die Faber schrijft. In de Engelse titel van de bundel komt dat sterker tot uiting: ‘Undying. A Love Story’. De suggestie van ‘undying love’ heeft hier een dubbele bodem, in het Nederlands zeggen we ‘onsterfelijke liefde’, een mogelijkheid waar de vertalers Harm Damsma en Niek Miedema niet voor hebben gekozen, wellicht omdat ‘onsterfelijk’ een veel ruimere betekenis heeft dan ‘undying’ die in het Engels dan weer eerder met ‘immortal’ overeenstemt. Niets dan lof overigens voor de knappe vertaling die Damsma en Miedema afleveren.

Wat zo sterk is aan ‘Tot leven’: het is eerlijke en dikwijls gedurfd eenvoudig klinkende poëzie, transparant en toch meerlagig. Er zit niks in van het effectbejag, het intellectualisme en de ondoorzichtigheid die je in hedendaagse poëzie soms aantreft. Gevoelens liggen aan de oppervlakte in alle kwetsbaarheid en zowat alles mag gezegd worden zonder doekjes eromheen. Dikwijls gaat het ook over de allerconcreetste dingen : kleren die niet meer passen, een pruik, medische procedures, lopen dat schuifelgang wordt, schoon beddengoed, het gewicht van een urne met as in een plastic zakje…  Concreet wordt telkens gekoppeld aan achterliggende gevoelens en gedachten, soms beschreven, soms alleen maar gesuggereerd.

De bundel is in twee delen opgesplitst, waarbij deel I gaat over de periode voor Eva’s dood. Deze cyclus eindigt met het gedicht ‘Het tijdstip dat je koos’, waarin Faber beschrijft hoe zijn vrouw ongemerkt wegglipt uit het leven.

‘Ik dutte wat. Jij was niet dood.
Het beddengoed ging op en neer.
Jij was zo angstaanjagend hulpeloos
als een grizzlybeer in barensnood,
als een pasgeboren kind zo broos.
Ik had mijn ogen even dicht,
twintig minuten, hooguit een halfuur.
Dat was het tijdstip dat je koos’.

Deel II bevat gedichten geschreven na Eva’s dood. Faber weet op adembenemende manier over te brengen hoe de vrouw met wie hij zo intiem was en hijzelf voortaan tot gescheiden werelden behoren. Hij kijkt naar de hemel en schrijft over de ‘eerste van vele manen die ons niet samen zullen beschijnen’, hij beschrijft hoe hij niet langer zich aan haar slakkengang aanpast en acht mijl keihard fietst om boodschappen te doen.

‘Ik had haast, godverdomme.
Het ging vanzelf.
Wat een schaamteloos gebrek aan tact
zoals ik daar uitdrukkelijk demonstreerde
dat ik niet heb wat jij hebt
en jou zo dwing te slikken
dat ik nog leef
en jij niet’.

Hij stelt vast dat hij zich laat verslonzen in het stationnetje in de Schotse Hooglanden waar ze samen jarenlang woonden, maant zichzelf aan om gezonder te eten, wat vaker onder de douche te gaan en te beseffen ‘Je bent haar kwijt. Probeer niet zo bezitterig te zijn’. Hij handelt praktische kwesties af, vraagt zich af of hij het aan haar verschuldigd is haar planten in leven te houden en eet ingevroren kliekjes van maaltijden die zij heeft gekookt. In ‘Vraag het dan gerust’ gaat hij in op al die mensen die hem zeggen ‘Als er iets is wat we kunnen doen, het maakt niet uit wat, vraag het dan gerust’. Hij vraagt of iemand met hem in een rotvaart door het heelal kan scheuren, naar de plek waar God zich schuilhoudt.

‘En wacht op mij terwijl ik de deur
van de directiekamer intrap
en de hoogheilige kloothommel
wegruk uit zijn onderonsje met de Eeuwigheid,
zijn topoverleg met de Geheimenissen des Levens,
zodat hij mij eens haarfijn uit kan leggen
waarom mijn vrouw zo nodig
moest worden gemarteld en gekleineerd
en uiteindelijk geëxecuteerd.’

En ach, hij weet dat ze met ‘het maakt niet uit wat’ een kop thee bedoelen of een lift naar de stad, dus houdt hij zich gedeisd en vraagt hij maar helemaal niks. Door heel de bundel heen schijnt de liefde, ‘oude’ liefde die niet idealiseert, die ook nog op post blijft wanneer de ander schoonheid verliest en hulpbehoevend wordt. Liefde die niks heeft met voetstukken, maar wel een monument in woorden optrekt voor een vrouw die voor de auteur uniek, bijzonder en onvergetelijk is. Wat voor ons lezers overblijft, is poëzie waar je af en toe koude rillingen van krijgt en die je tegelijk met een heel warm hart achterlaat.

‘Tot leven. Een liefdesgeschiedenis’ – Michel Faber, Uitgeverij Podium, 2016
Originele titel: ‘Undying. A Love Story
Vertaling: Harm Damsma en Niek Miedema’

Mooi interview met Michel Faber op de website van Vrij Nederland.

 

 

Lees nu: ‘Creativiteit = kracht!’

creativiteit2Een tijdje geleden deelde ik hier mijn ’10 strategieën voor meer creativiteit in je leven’. Creativiteit is sowieso een onderwerp dat me tussen de bedrijven door altijd opnieuw weet te prikkelen. Wat is het? Waar komt het vandaan? Hoe kan je het stimuleren? Door erover te lezen, na te denken, te schrijven en met mijn eigen creativiteit te experimenteren kwam er een langere tekst uit de bus en die breng ik nu, vandaag, uit!

Na een inleidend hoofdstuk met een korte verkenning doorheen neurologie, psychologie en meer spirituele benaderingen krijg je 34 strategieën voor meer creativiteit en tot slot een leeslijst met titels in het Nederlands en het Engels die je op weg zet om nog veel meer te lezen.

‘Creativiteit = kracht!’ heeft 32 pagina’s tekst en illustraties en is verkrijgbaar in pdf-formaat. Makkelijk aan te schaffen, geen bomen voor gesneuveld. Tot 15 oktober aan lanceerprijs 4 €, daarna 5 € en blijvend in het aanbod van Villa VanZelf vzw. Bestellen door een mailtje naar info@villavanzelf.org en storting van het juiste bedrag op rek. nr. BE45 9731 4485 5689.

 

Spookschip in de nacht

Slapeloosheid is een ramp. Ik heb er sinds een tijdje veel last van. Redenen? Onbekend. Wat doe je in wakkere uren? Soms: een gedicht schrijven over slapeloosheid.. Daar is geen keuze mee gemoeid. Liever zou ik slapen als een roosje dan met woorden in mijn hoofd te zitten. Ze komen vanzelf en wanneer ze komen moet ik er ook iets mee doen. Verjagen is geen optie want daarvoor zijn ze dan weer te aantrekkelijk. Soms word ik wakker met een regel in mijn hoofd die af is en die lijkt te zeggen: ‘en nu jij, ik heb mezelf al bedacht, de rest is voor jou’. Inspiratie is iets vreemds. Maar dus … slapeloosheid.

Slapeloosheid

Gedoemd onder dekens ben je
het spookschip op de barre golven
van een dode nacht.
Je zoeklichten vinden alleen het zwart van duisternis.
In het ruim rolt je geest in een fles heen en weer.
Ongerijmde uren struikelen langs je boeg
en rafelige dromen
over ongelukken
en bedrog kruisen je koers.
Ochtend blijft buiten bereik.

spookschip

‘Hoop’ is het ding met veren

Een heel jonge Emily Dickinson, één van de zeldzame foto’s die van haar zijn gemaakt.

Emily Dickinson (1830 – 1886, Amerikaanse dichteres) dwaalt even door mijn dagen. Ik had haar graag gesproken, of wat brieven met haar uitgewisseld. Ze woonde in Amherst, Massachussets, en leidde een weinig ophefmakend leven, grotendeels op dezelfde plek, in hetzelfde huis. Ze bleef ongetrouwd en kinderloos, maar had inspirerende vriendschappen met mannen die vooral betrekking hadden op haar poëzie . Trouw aan zichzelf schreef en schreef ze, meer dan 1700 gedichten, waarvan er 7 tijdens haar leven werden gepubliceerd, en dan nog in bewerkte vorm. Haar stijl was voor die tijd vernieuwend: haar voortdurende gebruik van gedachtenstreepjes, hoofdletters middenin de tekst en ongebruikelijk of afwezig rijm pasten niet in de toen strakkere vormschema’s van poëzie. Op de koop toe was ze een vrouw, waardoor nog sneller werd geoordeeld dat wat ze schreef ongeschikt voor een publiek en dus onpubliceerbaar was. Behalve voor haar meest nabije vrienden en familie moet ze soms mensenschuw zijn overgekomen en ze leek er zelf niet altijd op gebrand om een lezerspubliek te hebben. Gelukkig heeft de tijd haar postuum faam gebracht en wordt ze nu als één van de grote vernieuwers in de Amerikaanse poëzie aan het eind van de 19e eeuw beschouwd.

Hieronder een gedicht van Emily Dickinson over hoop. Heel mooi als je het mij vraagt, en hoop is iets wat we allemaal altijd kunnen gebruiken. Niet tevreden over de Nederlandse vertaling in de bundel ‘De mooiste gedichten van Emily Dickinson’ (uitgave De Morgen – Bibliotheek / Wereldpoëzie, 2002) heb ik er zelf een andere gemaakt.

‘Hope’ is the thing with feathers –
That perches in the soul –
And sings the tune without the words –
And never stops – at all –

‘Hoop’ is het ding met veren –
Dat neerstrijkt in de ziel –
Het zingt het lied, de woorden niet –
En niemand – houdt het tegen –

And sweetest – in the Gale – is heard –
And sore must be the storm –
That could abash the little Bird
That kept so many warm –

En zoetst klinkt het – bij felle Wind –
Alleen de zwaarste storm –
kan het verslaan – dit Vogeltje
Bij wie je warmte vindt –

I’ve heard it in the chillest land –
And on the strangest Sea –
Yet, never, in Extremity,
It asked a crumb – of Me.

Ik hoorde ’t in het kilste land –
En op de vreemdste Zee –
Maar vroeg het, zelfs in Hoogste Nood,
Een kruimel van Me? Nee.