De moedige angsthaas

Ik beken: ik ben zo’n angsthaas. En toch wil en zal ik dat podium op met muziek en tekst. Moedig ben ik dus ook wel (een beetje). Begrijpe wie kan. Waar ik dan bang voor ben? Eigenlijk het meest voor mijn eigen oordeel over mezelf. Over mijn eigen prestatie misschien te zullen moeten besluiten: gadver, dit was kak, dit kan ik veel beter, ik leer het nooit (en ik ben al zo oud). En dan telkens opnieuw om die hete brij heen cirkelen in

angsthaas

bron: lizlohren.nl

het hoofdje, duizend strategieën zoeken en bedenken om het goedje te bezweren: nog beter memoriseren, anders studeren, letten op ademhaling en houding, zal ik weer eens gaan hardlopen en helemaal stoppen met suiker eten, me verdiepen in verbindend communiceren met mezelf etc. Veel te veel gedachten. Langs honderd wegen kom ik erop uit, maar blijkbaar moet ik het die 100ste keer toch ook nog eens ervaren … stop met ‘copen’, er is maar één werkbare strategie: ja, je bent bang, wees dan bang en speel er toch op los. Punt. En ook: schrijf er iets over (zie hieronder).

Bij deze ben je nog een keer uitgenodigd voor ‘Alles begint met ja’: muziek (klassiek) en tekst en spel en … nu ja, kom gewoon kijken, op 12 of 14 juni om 20u in LUCA School of Arts. Ik geef hierbij alvast de – volkomen toepasselijke – proloog weg. (En wees gerust: de rest van de voorstelling is in het Nederlands).

 

Can you sneak around Fear?
Trying to get passed the circle of light in the dark forest  where it is sitting with Denial?
They are having their discussions around the fire.
Will they loosen their grip or will they sign up for another year?
It’s not for you to decide. At least, that’s what they think.
They are united in their light and might while you try to be the size of a mouse and get away.
Leaving them behind, never looking back.
But you are not a mouse: twigs creak under your human feet. They know you’re there, they know everything about you, they can feel you, smell your nerves, taste your sweat, even at this distance, where you try to hide between the trees.
‘You’re caught! Come back! Now! Who do you think you are?’. That was Fear calling out.
‘Nobody. If I thought I was somebody I wouldn’t sneak. I would step into the light and stamp out your fire and tell you you’re tresspassing. But here I am.’
‘What else do you have to say in your defense?’, Denial said.
‘Nothing really.’
‘What are you up to then?’. That was Fear again.
‘I don’t know. Just living, I guess.’
‘Tell us your opinion about mistakes.’ Denial was looking at me closely.
‘You know, I used to have a lot of opinions on that topic, but now I think it’s better not to have too many.‘
Fear and Denial looked in eachother’s eyes and nodded.
‘There’s no magic.’  Fear said.
‘There’s no real answers.’ said Denial. ‘But your words sound right enough to us.’
They got up, they stretched their legs that had gotten stiff from sitting too long.
They put out the fire.
We walked side by side, the three of us, to the edge of the forest, chatting quietly.
It was dark.
But we could see.

The wild experiment

Piano spelen kan ik alvast goed genoeg om in 3e bachelor te raken aan een conservatorium. Schrijven goed genoeg om een prijs te winnen in een bescheiden literaire wedstrijd. Tot daar mijn vermogen om op te scheppen over mezelf. De vraag is nu: kan ik ook piano spelen, én schrijven, én acteren in één project? Het zal moeten blijken in ‘the wild experiment’ waar ik intussen een klein jaartje mee aan de slag ben en dat over anderhalve maand de planken op moet, één keer zonder jury, één keer mét. Duim voor me! Of nog beter: kom kijken!

 

 

Prijsje (joepie)!

Mijn Maand Zonder Emoticons is al even om en ik wil het er zeker nog over hebben, maar dit is een Alice-konijn-periode. Je kent het wel, het drukke konijn in de Disney-bewerking van ‘Alice in Wonderland’ dat hijgend uitroept ‘Geen tijd, geen tijd, hoezeer het me ook spijt!’. Met een bachelorproef-muziektheatervoorstelling voor de boeg – waarover binnenkort meer -,  een bachelorscriptie die nu toch eindelijk-eindelijk-eindelijk de voltooiing nadert en nog wat ander examen-fraais (tel vooral de koppeltekens en gedachtenstreepjes in deze eerste lijnen) loopt mijn hoofd lichtjes om.

Tulkens-0Toch heb ik snel-snel met enige trots een nieuwtje te melden: afgelopen weekend heb ik de tweede prijs gewonnen in de categorie zonder leeftijdsbeperking van de tweejaarlijkse Julia Tulkens Poëziewedstrijd, georganiseerd door de gemeenten Tienen-Linter-Landen. Hoewel het krijgen van prijzen geen doel vormt van schrijven en het altijd gezond is het belang ervan te relativeren, is dit toch een joepie-momentje voor mij. Gewoon fijn om opgemerkt te worden in de hoop, een sprankje erkenning. Hieronder het prijsbeest-gedicht, en dan rennen we weer lekker verder.

 

Maritiem theater

1.

Zandvlakte, waterplaat, luchtstrook.
Een randje golfschuim tussen zand en water,
witte zeilboten als suikerfiguurtjes op een taart
en een groter schip op de horizonlijn.
Er zijn ook mensen –
pantomime met honden aan lijnen
en kinderen die steevast sneller, trager, schichtiger bewegen.
Het leven ingeblikt.
Al de rest kan wachten nu –
echtscheidingen, oplopende burenruzies, erfeniskwesties, dementerende grootouders.
Dit is het maritiem theater,
een strand vol figuranten met zee in de hoofdrol.

2.

Aan één stuk denkt ze.
Peinzend rolt ze het strand op,
bedaarde gedachte na gedachte.
Wandelaars ontdoet ze moeiteloos van mensendenken.
Alleen maar ogen en oren hoeven ze te zijn nu,
voor de meeuwen die een ballet op de waterlijn repeteren,
voor alle tinten wit van licht en lucht.
In het achterland trekt de watertoren het gekwetste hoofd tussen de schouders.
Misschien kunnen alle ontdane gedachten daar wel heen.
En dan is het tegen vieren en tijd voor taart en koffie,
de warmte van een huis.

Maand zonder emoticons

Er was Tournée Minérale en er is Dagen Zonder Vlees, voor respectievelijk een maand zonder alcohol en een maand veggie door het leven gaan. Lieve mensen, vermits de zonder-trend onomstotelijk in de lift zit, heb ik een voorstel waarvan de onversaagde sterke karakters onder ons die altijd in zijn voor maandjes zonder toch wel een beetje bleek om de neus zullen uitslaan. Ik lanceer bij deze: de Maand Zonder Emoticons en Emojis. Een maand lang geen gebruik maken van smileys, duimpjes, pusheens, lachende drollen, kloppende harten en wat er zoal nog in het emo-arsenaal zit.

Hoe ik daarbij kom? Gewoon een zinnetje dat ik in een interview met acteur/regisseur Frank Lammers las: ‘De mens is een taalloos wezen geworden dat met duimpjes duidelijk maakt wat hij bedoelt.’ Meestal, wanneer ik weer eens dit soort kritiek lees, ben ik geneigd om te denken: ‘Geeuw, niks nieuws wat je daar zegt, en zo belangrijk is het nu ook weer niet, toch?’. Deze keer was het anders. Een mengeling van schaamte en ongemakkelijkheid overviel mij. Ik dacht: ‘De man heeft gelijk, toen het zich nog beperkte tot wat knipogen en een uitgestoken tong was het ok, maar nu loopt het zwaar de spuigaten uit’. Nog even en er is een emoticon voor ‘het gevoel dat je overvalt wanneer je in je eentje bij een verlaten bushalte in de regen staat en niet weet of de laatste bus nog komt of je hem net hebt gemist’. Voor taalloosheid valt in mijn geval niet zo gauw te vrezen, denk ik, maar dat de oh zo handige pictogrammetjes impact hebben op mijn communicatie staat als een paal boven water.

Voorbeeldje? In e-mail, chat en sms maak ik haast geen grapjes meer zonder smiley of iets dergelijks erbij. Ik betrap mezelf erop dat ik ben gaan denken dat zonder emoticon het risico  bestaat dat de ander misschien niet doorheeft dat het als grapje bedoeld is. Misschien – oh ramp – wel beledigd gaat zijn zonder dat verzachtende knipoogje. Gesteld dat er wel meer mensen zo redeneren is het niet ondenkbaar dat we op termijn humor of andere emotionele expressie in taal niet meer herkennen als woorden niet worden ondersteund of vervangen door beelden.

Nog eentje? Ik ga ervan uit dat de ander misschien wel denkt dat ik een droogstoppel of een saai oud wijf ben als ik emoticonloos communiceer. En stel vast dat ik die reflex vooral heb in communicatie met mensen die een stuk jonger zijn dan ik.

Nog een derde? Het is oh zo gemakkelijk om gauw even een duimpje of hartje de wereld in te sturen. Soms is het gemeend, maar soms is het ook de vervanging van een lege beleefdheidsformule, het soort fake kirren wat mensen op feestjes doen: ‘oh echt?!’, ‘serieus?’, ‘ah, geweldig!’.

En geef toe, die emo-dinges kunnen ook wel eens doodergerlijk zijn.

Neem nu: blokjes. Ja, blokjes. Jouw foon is niet compatibel met die van een ander en in plaats van het juiste tekeningetje krijg je in een sms alleen maar een stel nietszeggende vierkante blokjes. Alsof iemand probeert om gekneveld het woord tot je te richten, of zoiets.

Verder: overload. De enthousiasteling die het niet kan laten om 7 duivels kijkende smoeltjes te posten terwijl je met één de boodschap ook wel begrepen hebt. Of per se én toeters én bellen én verjaardagstaarten en hartjes en ook nog één of andere idiote kwispelende hond met een strik bij elkaar samplet bij wijze van verjaardagswens. De infantilisering loert om de hoek, of beledig ik nu de -12-jarigen?

Redenen genoeg lijkt mij, voor een maandje zonder. Vanaf nu schrijf ik ‘echt kak, zoiets!’ in plaats van te klikken. Reageer ik verbaal in plaats van een snel duimpje naar iemands kop te gooien, maak ik grapjes zonder die expliciete knipoog. Al mijn communicatiepartners zijn bij deze gewaarschuwd, vat het niet verkeerd op, lieverds. Iemand zin om mee te doen? Be my guest! Wat zeg je? Dat de vergelijking die ik in het begin maakte niet opgaat? Dat je een mojito kan afslaan en aan een gehaktbal kan weerstaan, maar dat emoticons sowieso op je af komen in de communicatie die aan jou gericht is, ook al gebruik jij er zelf geen? Klopt ja, daar moeten we dus nog iets op vinden. Gewoon niet reageren? ‘Watte?’ of ‘pardon?’ zeggen? Meedelen dat jouw foon, tablet of wat dan ook plots geen picto’s meer herkent? Ach, laten we niet te gemeen zijn. Dwang is niet meer van deze tijd. Laten we om te beginnen gewoon de alledaagse helden zijn die het goeie voorbeeld geven. Ze gaat bij deze in, die maand. Start!

 

pandemonium

soms benijd ik de tuimelbeker.
andere keren wil ik liefst het plastic bakje zijn,
achter de gesloten deur van het keukenkastje, leeg en schoon.
soms – willen of niet – de vork die nu eenmaal niet rechtop kan staan
en een grillig heft heeft als geen ander ding in de bestekbak.
soms – nee niet trots daarop – de pan met restje van vijf dagen oud,
dat deksel wil je echt niet optillen.

vorkigheid.
tuimelbekerdom.
etterbakje.
pandemonium.

Bregje Hofstede – ‘De herontdekking van het lichaam – Over de burn-out’

Schrijven over je eigen burn-out wanneer je 26 bent, met succes een eerste roman hebt uitgebracht die meteen wordt vertaald en verfilmd en je alles knap voor mekaar lijkt te hebben: het is misschien wel een risico. Niet ondenkbaar dat je door een paar cynische recensenten wordt weggezet als aansteller of aandachtszoeker. Bregje Hofstede deed het toch, in een dun boekje met als titel  ‘De herontdekking van het lichaam – Over de burn-out’.

9789059366947_160‘De herontdekking van het lichaam’ bestaat uit een aantal essays die voldoende met elkaar verwant zijn om een coherent geheel te vormen en tegelijk divers genoeg om het thema burn-out vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. Het is moeilijk in een genre onder te brengen omdat het egodocument vermengt met filosofische beschouwing en maatschappijkritiek. Het is zowel een intens persoonlijk verhaal als essayistiek met verwijzingen en een bronnenlijst. Het is non-fictie die tegelijk nadrukkelijk literair geschreven is. Precies die wat ongebruikelijke combinatie maakt ‘De herontdekking van het lichaam’ beklijvend.

Centraal in het boek staat de vaststelling van Hofstede dat – hoewel burn-out meestal als een mentaal-emotioneel fenomeen wordt gezien – in haar geval het fysieke aspect allesbepalend is. Ze beschrijft hoe ze in de loop van haar puberteit en onder invloed van haar thuismilieu leerde om haar lichaam zoveel mogelijk te negeren. ‘Books over looks’ wordt haar motto en een lichaam is vooral iets wat niet in de weg moet zitten bij het realiseren van haar mateloze intellectuele ambities. Op heel jonge leeftijd voltrekt zich een vervreemding die ze later weet te benoemen als ‘Ik zat niet slecht in mijn vel. Het leek er eerder op dat ik er helemaal niet in zat’. En nog: ‘Mijn lichaam was iets wat mijn hoofd ronddroeg, hinderlijk traag overigens, en mijn pen vasthield, een noodzakelijk kwaad’.

Hofstedes extreme manier om wil en geest te laten triomferen over de behoeften van het lichaam blijft niet duren: na succesvolle studies en het schrijven van een roman (‘De hemel boven Parijs’) valt ze op haar 24e letterlijk stil. Op een dag gaat ze – tegen haar gewoonten in – doodmoe op een bankje in een park zitten, stelt ze vast dat ze haar benen niet meer kan voelen en met de beste wil van de wereld niet meer kan opstaan. In paniek belt ze met moeite haar vader. Waarop weken en maanden volgen van inactiviteit en langzaam herstel waarin ze gaat begrijpen hoe nefast de onderdrukking van haar fysieke zelf is. Pogingen om eruit te raken door net extra hard voor haar lichaam zorg te dragen – hypergezond eten, yoga, voldoende slaap … – brengen haar verder van huis. Door haar perfectionistische aard heeft ze gewoon een andere manier gevonden om haar lichaam nog efficiënter te laten gehoorzamen.

De omslag komt wanneer ze begint te  wandelen. Niet wandelen als de geplande kilometerslange tocht in weidse natuur, maar wandelen als doelloos slenteren, ook middenin de stad, de benen en het lichaam de vrijheid gunnen ons te dragen naar waar het hen belieft. Wandelen opent letterlijk nieuwe wegen: ze stelt vast hoe belangrijk het is om ook bij hoofdwerk het lichaam te voelen, ontdekt dat taal helemaal niet zo abstract is als ze dacht, dat ze ‘niet voluit kan schrijven zonder lijf’ en frisser en creatiever wordt. ‘Als ik lang genoeg loop, opent zich gaandeweg een plek in mijn gedachten die ik als compleet eigen ervaar’. Ten slotte komt ze tot het besluit dat burn-out niet zozeer een opgebrand zijn is, een tekort aan brandstof of energie dat je in principe dus ook zou moeten kunnen bijvullen, maar net een teveel aan doorgaans mentale prikkels en een tekort aan leegte en ruimte, zodat op de duur de veerkracht helemaal opraakt.

Tussen haar eigen verhaal door weeft Hofstede maatschappelijke observaties – ontevredenheid over het eigen lichaam die zowel bij mannen als vrouwen norm wordt, de tijdgeest die van het lichaam een ding maakt dat via apps wordt gemonitord en getrackt – en verwijst ze naar filosofen en auteurs, bijvoorbeeld de bijzondere band met wandelen die Henry David Thoreau, Jean-Jacques Rousseau en Friedrich Nietzsche onderhielden met wandelen.

Een extra vermelding waard is het laatste essay in het boekje ‘What de fuck is water?’. Naar aanleiding van een reis die ze in haar eentje onderneemt naar Jerusalem, waarbij ze als jonge westerse vrouw genadeloos wordt geconfronteerd met de voortdurende ongewenste aandacht van mannen, vraagt ze zich af in welke mate haar vrouw-zijn een rol heeft gespeeld in de vervreemding van haar lichaam. Onafgebroken aangestaard worden verhindert dat ze zelf nog kan kijken, niet reageren is geen optie als je lichaam sowieso registreert en je denken uit zijn eigen bedding wordt geduwd. Zelf zo weinig mogelijk signalen uitzenden heeft als gevolg dat ze zich afsluit. Ook hier heeft ze aandacht voor maatschappelijke context – de neiging om te stellen dat vrouwen niet moeten zeuren zo lang het maar bij kijken, een gebaar of opmerking blijft – en voor andere vrouwelijke auteurs in wiens werk de relatie met het lichaam een speciale plaats heeft, zoals Sylvia Plath en Susan Sontag.

Met ‘De herontdekking van het lichaam’ bewijst Bregje Hofstede dat ze uiteenlopende genres moeiteloos aankan, intelligent associeert en verbanden legt. En ook dat ze geen zeurkous is die per se het eigen leed breed wil uitsmeren.

Bregje Hofstedes website

 

‘Tot leven / Een liefdesgeschiedenis’ – Michel Faber over liefde, leven en dood

Ergens in de eerste jaren van deze eeuw was er ‘Lelieblank, scharlakenrood’ (The Crimson Petal and the White), de decadent dikke roman van Michel Faber (°1960) over de lotgevallen van Sugar, een prostituee in het Victoriaanse Engeland. Een gigantische bestseller, en voor mij een memorabele leeservaring. Hoewel ik me toen niet kon voorstellen dat ik ook maar een letter die van zijn hand verscheen zou laten passeren, las ik in later jaren nooit meer iets van Faber.

totlevenTot ik onlangs op ‘Tot leven / Een liefdesgeschiedenis’ stuitte. Faber verloor in 2014 zijn geliefde Eva, na een jarenlange strijd tegen beenmergkanker. ‘Tot leven’ is een bundeling van gedichten die hij schreef in haar laatste levensfase en in het jaar na haar dood.  Lees je zoiets als je niet zelf rechtstreeks met ziekte of rouw wordt geconfronteerd of beroepshalve een recensie moet schrijven? Ja dus. En waarom dan? Goeie vraag. Misschien omdat ziekte en dood ‘doodgewoon’ bij het leven horen en ‘kopje in het zand’ niet veel zoden aan de dijk zet.  Omdat ‘Tot leven’ je bij de eerste lukrake regels bij je nekvel grijpt en niet meer loslaat. Omdat het ook, ondanks de onverbloemdheid van aftakeling en sterven en de rauwheid van verdriet, pure liefdespoëzie is die Faber schrijft. In de Engelse titel van de bundel komt dat sterker tot uiting: ‘Undying. A Love Story’. De suggestie van ‘undying love’ heeft hier een dubbele bodem, in het Nederlands zeggen we ‘onsterfelijke liefde’, een mogelijkheid waar de vertalers Harm Damsma en Niek Miedema niet voor hebben gekozen, wellicht omdat ‘onsterfelijk’ een veel ruimere betekenis heeft dan ‘undying’ die in het Engels dan weer eerder met ‘immortal’ overeenstemt. Niets dan lof overigens voor de knappe vertaling die Damsma en Miedema afleveren.

Wat zo sterk is aan ‘Tot leven’: het is eerlijke en dikwijls gedurfd eenvoudig klinkende poëzie, transparant en toch meerlagig. Er zit niks in van het effectbejag, het intellectualisme en de ondoorzichtigheid die je in hedendaagse poëzie soms aantreft. Gevoelens liggen aan de oppervlakte in alle kwetsbaarheid en zowat alles mag gezegd worden zonder doekjes eromheen. Dikwijls gaat het ook over de allerconcreetste dingen : kleren die niet meer passen, een pruik, medische procedures, lopen dat schuifelgang wordt, schoon beddengoed, het gewicht van een urne met as in een plastic zakje…  Concreet wordt telkens gekoppeld aan achterliggende gevoelens en gedachten, soms beschreven, soms alleen maar gesuggereerd.

De bundel is in twee delen opgesplitst, waarbij deel I gaat over de periode voor Eva’s dood. Deze cyclus eindigt met het gedicht ‘Het tijdstip dat je koos’, waarin Faber beschrijft hoe zijn vrouw ongemerkt wegglipt uit het leven.

‘Ik dutte wat. Jij was niet dood.
Het beddengoed ging op en neer.
Jij was zo angstaanjagend hulpeloos
als een grizzlybeer in barensnood,
als een pasgeboren kind zo broos.
Ik had mijn ogen even dicht,
twintig minuten, hooguit een halfuur.
Dat was het tijdstip dat je koos’.

Deel II bevat gedichten geschreven na Eva’s dood. Faber weet op adembenemende manier over te brengen hoe de vrouw met wie hij zo intiem was en hijzelf voortaan tot gescheiden werelden behoren. Hij kijkt naar de hemel en schrijft over de ‘eerste van vele manen die ons niet samen zullen beschijnen’, hij beschrijft hoe hij niet langer zich aan haar slakkengang aanpast en acht mijl keihard fietst om boodschappen te doen.

‘Ik had haast, godverdomme.
Het ging vanzelf.
Wat een schaamteloos gebrek aan tact
zoals ik daar uitdrukkelijk demonstreerde
dat ik niet heb wat jij hebt
en jou zo dwing te slikken
dat ik nog leef
en jij niet’.

Hij stelt vast dat hij zich laat verslonzen in het stationnetje in de Schotse Hooglanden waar ze samen jarenlang woonden, maant zichzelf aan om gezonder te eten, wat vaker onder de douche te gaan en te beseffen ‘Je bent haar kwijt. Probeer niet zo bezitterig te zijn’. Hij handelt praktische kwesties af, vraagt zich af of hij het aan haar verschuldigd is haar planten in leven te houden en eet ingevroren kliekjes van maaltijden die zij heeft gekookt. In ‘Vraag het dan gerust’ gaat hij in op al die mensen die hem zeggen ‘Als er iets is wat we kunnen doen, het maakt niet uit wat, vraag het dan gerust’. Hij vraagt of iemand met hem in een rotvaart door het heelal kan scheuren, naar de plek waar God zich schuilhoudt.

‘En wacht op mij terwijl ik de deur
van de directiekamer intrap
en de hoogheilige kloothommel
wegruk uit zijn onderonsje met de Eeuwigheid,
zijn topoverleg met de Geheimenissen des Levens,
zodat hij mij eens haarfijn uit kan leggen
waarom mijn vrouw zo nodig
moest worden gemarteld en gekleineerd
en uiteindelijk geëxecuteerd.’

En ach, hij weet dat ze met ‘het maakt niet uit wat’ een kop thee bedoelen of een lift naar de stad, dus houdt hij zich gedeisd en vraagt hij maar helemaal niks. Door heel de bundel heen schijnt de liefde, ‘oude’ liefde die niet idealiseert, die ook nog op post blijft wanneer de ander schoonheid verliest en hulpbehoevend wordt. Liefde die niks heeft met voetstukken, maar wel een monument in woorden optrekt voor een vrouw die voor de auteur uniek, bijzonder en onvergetelijk is. Wat voor ons lezers overblijft, is poëzie waar je af en toe koude rillingen van krijgt en die je tegelijk met een heel warm hart achterlaat.

‘Tot leven. Een liefdesgeschiedenis’ – Michel Faber, Uitgeverij Podium, 2016
Originele titel: ‘Undying. A Love Story
Vertaling: Harm Damsma en Niek Miedema’

Mooi interview met Michel Faber op de website van Vrij Nederland.